Wandelrondje de verhalen van Katlijk
Katlijk ademt historie. 500 jaar oud is het dorp. Tijdens deze wandelroute ontdek je de verhalen die schuilgaan in het dorp en haar prachtige omgeving.
Let op: Deze route volgt niet het knooppuntnetwerk. Download het GPX-bestand om te navigeren.
Een landschap vol verhalen
Al vijf eeuwen lang staat Katlijk bekend om zijn hechte gemeenschap, rijke geschiedenis en prachtige natuur. Dit wandelrondje leid je langs QR-codes die je meenemen in de velen verhalen die schuilgaan in en rondom het dorp.
Bekijk de videos of lees de verhalen en waan je in vroegere tijden.
Van kerkhistorie en turfwinning tot aan Bommen Berend
De route start bij de Thomastsjerke aan de Kerkelaan. Deze kerk werd gebouwd rond 1525, toen Katlijk ontstond. Naast de kerk staat de klokkenstoel, waar in december nog altijd het Sint Thomasluiden plaatsvindt — een traditie die het dorp elk jaar verbindt.
Ond…
Katlijk ademt historie. 500 jaar oud is het dorp. Tijdens deze wandelroute ontdek je de verhalen die schuilgaan in het dorp en haar prachtige omgeving.
Let op: Deze route volgt niet het knooppuntnetwerk. Download het GPX-bestand om te navigeren.
Een landschap vol verhalen
Al vijf eeuwen lang staat Katlijk bekend om zijn hechte gemeenschap, rijke geschiedenis en prachtige natuur. Dit wandelrondje leid je langs QR-codes die je meenemen in de velen verhalen die schuilgaan in en rondom het dorp.
Bekijk de videos of lees de verhalen en waan je in vroegere tijden.
Van kerkhistorie en turfwinning tot aan Bommen Berend
De route start bij de Thomastsjerke aan de Kerkelaan. Deze kerk werd gebouwd rond 1525, toen Katlijk ontstond. Naast de kerk staat de klokkenstoel, waar in december nog altijd het Sint Thomasluiden plaatsvindt — een traditie die het dorp elk jaar verbindt.
Onderweg kom je langs de plek waar vroeger de haven lag. Vanaf hier vertrokken pramen met turf, maar ook met passagiers richting Heerenveen en verder. In de boerderij tegenover de haven zat destijds een café, een centrale plek voor ontmoeting.
Even verderop kijk je uit over de landerijen waar in 1673 werd gevochten tijdens de inval van Bommen Berend. Wat nu rustig oogt, heeft dus een bewogen verleden.
Benieuwd naar meer?
Er is nog veel meer te ontdekken. Scan onderweg de QR-codes en duik zelf in de verhalen van Katlijk.
Meer zin om te fietsen? Ontdek de fietsroute langs de verhalen van katlijk op Katlijk 500 - Ketlik 500 - Katlijk 500 jaar kerkdorp !
Dit ga je zien
Sint Thomaskerk en klokkenstoel Katlijk
De Thomaskerk van Katlijk dateert uit 1525, het is een opvallend kerkje omdat de toren ontbreekt. In plaats daarvan staat er een losstaande dubbele klokkenstoel. Het Sint-Thomasluiden vindt ieder jaar rond oud en nieuw plaats om boze geesten te verjagen.
De grafsteen van 1624
De grafsteen van 1624
Het gebeurde in het jaar 1640. Brechtje en haar vader Eyle Eiles openden de kerkdeur in Katlijk. Eyle liep doelbewust naar de oostkant van de kerk. De ochtendzon voelde nog koud aan door de ramen van de kerk. Hij legde zijn hand op de oude steen waarop in harde letters stond te lezen:
Den 1624 is in den heere almachtich ontslapen die eerbare ende godtfruchtige frouwe Thiet Eiledochter en Regenerus Cornelis. Nog is hier begraven Rienk en Bruchtje Eiles
‘Is dit het dan, vader?’ vroeg Brechtje. Haar stem galmde zachtjes door de lege kerk. ‘Ja, hier liggen ze. Je grootvader Cornelis, je grootmoeder Tietsje en je oom en tante.’ Brechtje boog zich voorover en streek over de letters. ‘Ik heb ze nooit gezien.’ ‘Nee,’ zei Eyle, ‘en ik ook bijna niet.’
Brechtje vroeg: ‘Hoe is dat mogelijk? Was je vader niet bij jou thuis?’ Eyle haalde zijn schouders op. ‘Hij was een geleerd man. Hij was meer met zijn boeken bezig dan met ons. Hij was vaak in Joure en later in Franeker. Daar was hij rector.’ ‘Wat is een rector?’ vroeg Brechtje, haar ogen wijd open van nieuwsgierigheid. Eyle: ‘Een soort meester, maar dan op de Latijnse school. Hij gaf les aan mensen die zelf meester wilden worden.’ Brechtje: ‘En waarom werden ze in de kerk begraven? Dat doet toch niet iedereen?’
Eyle vertelt: ‘Nee, alleen belangrijke mensen, of degenen die ervoor betaald hebben.’
Brechtje keek naar de steen. ‘Denk je dat jij hier ook begraven wordt?’
Eule antwoordt: ‘Ik weet het niet, meisje. Het zou kunnen. Maar ik denk niet dat het meer is zoals vroeger.’ Ze zweeg even. ‘Weet moeder meer over mijn grootouders?’ Eyle praat nu zachtjes en meer in zichzelf: ‘Jouw moeder …..je moeder spreekt niet graag over mijn vader en grootvader. Ik had toen geen warm thuis. Wij praten er niet veel over.’
Brechtje keek haar vader aan. ‘Ik wil meer weten. Meer dan jij me verteld hebt.’ Eyle knikte langzaam: ‘Dan moeten we zoeken in de boeken, in het dorp. Misschien in Franeker. Jouw grootvader en mijn vader hebben daar sporen achtergelaten. Je bent al net zo nieuwsgierig als hij.’ Brechtje glimlachte. ‘Misschien wil ik ook doorleren. Ik wil meer leren dan spinnen en brood bakken.’ Eyle lachte zachtjes. ‘Dan laat ik je zien waar hij is geweest. Misschien kom je dan meer over hem te weten dan ik ooit heb gedaan.’
Ze pakte zijn hand en daar stonden ze samen, vader en dochter, bij een steen vol vragen.
De dorpsrechter en de lekkende dijk
Jan Wolters stond aan de rand van zijn akker; zijn ogen gericht op de horizon waar het veengebied begon. Hij rook de zure geur van het water dat zijn land binnensijpelde.
De dorpsrechter en de lekkende dijk
Jan Wolters stond aan de rand van zijn akker; zijn ogen gericht op de horizon waar het veengebied begon. Hij rook de zure geur van het water dat zijn land binnensijpelde. Zijn grote boerderij, een van de dertig stemgerechtigde boerderijen in Katlijk, lag bijna op de kruising van het dorp. Als dorpsrechter droeg hij vele verantwoordelijkheden, maar deze kwestie raakte hem persoonlijk.
"Het is weer erger geworden, Jan," zei naburige boer Gerrit Cornelis, terwijl hij naderbij kwam. "Mijn gewassen verdrinken in dat zure water. We kunnen zo niet doorgaan."
Jan knikte bedachtzaam. "Ik weet het, Gerrit. De dijk tussen het veen en onze velden brokkelt af. We moeten iets doen."
"En wat ga jij eraan doen?" vroeg Gerrit met een toon van frustratie in zijn stem. "Je bent toch de dorpsrechter?"
Jan zuchtte. Hij wist dat zijn positie hem verplichtte om een oplossing te vinden, maar het was nooit eenvoudig. "Ik zal met de veenbazen praten. We moeten samenwerken om dit op te lossen."
De volgende dag begaf Jan zich naar het veengebied. Hij trof Klaas, de hoofdveenbaas, bij de rand van een turfput.
"Klaas," riep Jan, "we moeten praten over de dijk."
Klaas keek op, zijn gezicht getekend door jaren van zwaar werk. "Wat is er met de dijk, Jan?"
"Hij lekt. Ons land verzuurt. We hebben jullie hulp nodig om hem te repareren."
Klaas lachte schamper. "En waarom zouden wij dat doen? Wij hebben geen last van dat water."
Jan zijn geduld raakte op), maar hij beheerste zich. "Omdat we allemaal deel uitmaken van deze gemeenschap, Klaas. Als onze oogsten mislukken, lijdt iedereen eronder."
Na lange onderhandelingen werd er een overeenkomst bereikt. De veenwerkers zouden de noordelijke helft van de dijk repareren, de boeren de zuidelijke helft. Bovendien zouden de sloten aan beide zijden worden verbreed en uitgediept.
Toen Jan het nieuws aan de boeren bracht, was er gemor. "Waarom moeten wij de helft doen?" klaagde een van hen.
"Omdat het onze verantwoordelijkheid is om voor ons land te zorgen," antwoordde Jan vastberaden. "Dit is de enige manier waarop we allemaal kunnen winnen."
In de weken die volgden, werkten veenwerkers en boeren zij aan zij langs de twee kilometer lange dijk. Jan werkte mee, zijn handen even eeltig als die van de anderen.
Toen het werk voltooid was, stond Jan opnieuw aan de rand van zijn akker. De zure geur was verdwenen, vervangen door de frisse geur van vochtige aarde. Hij voelde een diepe tevredenheid, niet alleen vanwege de oplossing van het probleem, maar ook vanwege de samenwerking die het had voortgebracht.
In de verte zag hij Klaas naderen. De veenbaas knikte naar hem, een zeldzame glimlach op zijn verweerde gezicht. "Je had gelijk, Jan," zei hij. "We zijn inderdaad allemaal deel van dezelfde gemeenschap."
Jan glimlachte terug, wetend dat zijn werk als dorpsrechter, hoe uitdagend ook, momenten als deze de moeite waard maakte. In het kleine Katlijk met zijn 169 inwoners had hij het verschil gemaakt. En morgen zou er weer een nieuwe uitdaging zijn.
Ryckolt bij de Draai
De Turfwinning heeft het landschap rond Katlijk gevormd. Op deze plek was voorheen een belangrijke watergang. De dorpshaven van Katlijk als het ware.
Ryckolt bij de Draai
Het is in het jaar 1830 bij de turfopslag in Katlijk.
Ryckolt veegde het zweet van zijn voorhoofd. Hij was de hele ochtend bezig geweest met het laden van turf in de praam en de schipper hielp met het keren van de schuit. Hij had honger gekregen.
De praam kwam leeg aan uit De Knype en werd opnieuw geladen met turf uit Katlijk. Bij het laden werden de turven opgestapeld in de bekende vorm van een 'stok'. Katlijkers, die de turf hadden afgegraven, brachten de turven met paard en wagen naar deze opslag. Daar bouwden ze een zogenaamde 'stok' van turf. Eén stok, wist Ryckolt, bevat 16 turven op de grond met 22 turven er bovenop gestapeld, wat neerkomt op 352 turven. Er lag (en) al een flink aantal van dergelijke stokken klaar om in de praam geladen te worden.
Vanmorgen moest hij 10 stokken laden, wat betekent – even rekenen… Ryckolt had op de winterschool leren rekenen, want de sommen van de schoolmeester gingen vaak over het tellen van turf.
Acht hopen turf, 1 dag werk en 15 stokken werden verkocht aan 5 schippers. Hoeveel moest ieder aan de schipper betalen?
Om alle turf in de praam te krijgen had Ryckolt een goede schipper en een ervaren veenbaas nodig. Dat was vandaag niet het geval. De veenbaas had de hopen turf al een paar keer verkeerd gemeten, waardoor enkele turfstekers boos waren geworden. Turfstekers moeten ook kunnen tellen, omdat veenbazen ter plekke het aantal turven uitbetalen. Deze veenbaas kwam van Gorredijk en Ryckolt kende alleen zijn naam: Venema. Hij realiseerde zich opeens dat Venema al lang in de herberg was. Gisteren ook en ja, eergisteren ook. Venema zou vast weer naar drank ruiken.
Schafttijd! En verdorie, Venema was nog steeds niet te zien. Ryckolt zag de boerenarbeiders al naar de keuken van deze vicarie-boerderij lopen. De dienstmeisjes dienden het eten op, maar de boerin zat nog steeds met Venema achter de tafel met sterke drank.
Margrete, de weefster van Klein Katlijk
Katlijk, 1525.
Margrete, de weefster van Klein Katlijk
Katlijk, 1525.
Margrete prikte zich in de vingers van de spintol. Bloed! Oppassen, het moest vooral de lichte schapenwol niet besmetten. Terwijl ze de vinger onwillekeurig in de mond stopte, dacht ze na over het voorval dat haar oudtante Margrete van Nes had verteld aan grootmoeder.
Haar oudtante had gewoond in het vrouwenklooster van de Steenkerk bij Luinjeberd, als onderdeel van de grotere Duitse orde van Nes bij Akkrum. Tante was altijd trots geweest op haar status binnen de familie. Zij en de andere zusters baden voor het zielenheil van hun families. Dagelijks de zeven getijden zingen en heel veel bidden, maar ook kleine handwerkjes verrichten.
Zo had tante de leiding gekregen over de spinnerij en weverij. Er werd geweven voor de grotere Orde, maar er werd ook in opdracht geweven. Grootmoeder uit Katlijk deed ook verstelwerk voor de zusters. Er waren meer mensen uit Klein Katlijk die het vlas van hun akkers weefden en het aan de Steenkerk verkochten. De weefsels waren nodig voor de ziekenzaal en de slaapvertrekken.
Op een dag was de abt onverwacht langsgekomen bij de zusters. Gauw deden de zusters hun kapjes op en werden de omslagdoeken steviger omgeslagen. De abt kwam natuurlijk nooit alleen, altijd waren er jonge lekenbroeders bij. De zusters behoorden te gaan staan, wanneer de mannen de weverij binnenkwamen. Het werd erg ongemakkelijk - voor ieders ogen werd duidelijk, dat lekenzuster Renttie haar periode had en dat er bloedvlekken op haar schoot waren gekomen, maar vooral dat de zachte witte wol besmet werd.
Margrete werd daarvoor streng berispt door de abt en dat had haar naamgenote Margrete van Lyts Ketlik altijd goed onthouden. Voor haar een reden om zich bewust te zijn van de rol van vrouwen en elkaar te waarschuwen als er mannen in de buurt zijn en zich gedeisd te houden.
Aaltje van de Laan
Het is 1838 in het eerste huisje aan de laan in Katlijk.
Aaltje van de Laan
Het is 1838 in het eerste huisje aan de laan in Katlijk.
Aaltje: ‘Goedendag, kom erin, jullie komen vast en zeker een glaasje drinken op het heil van onze jongste zoon. Ik ben Aaltje en ben net moeder geworden van kleine Uilke, ons zevende kind. Ik heb nog twee meisjes en vier jongens. Kom binnen, kom binnen. Ik hoorde al van familie dat jullie langs de Weversbuurt zouden lopen op weg naar jullie familie bij de herberg.
Onze Martzen is al 13 jaar en zal een glaasje voor jullie inschenken. Haar broers en haar vader zijn niet thuis, want ze werken bij de boeren aan de Weversbuurt. Martzen kan mij goed helpen en dat is ook nodig, want haar oudere zuster heeft al een diensthuis bij een boer in Langezwaag.’
Martzen roept: ' Moeder, waar staan die glaasjes? ' Aaltje roept terug: ' Dat weet je toch wel, Martzen! In het zondagse kabinet! '
Aaltje vertelt verder: ' Hoe gaat het met jullie familie? Jullie hebben vast al een eind gelopen, kwamen jullie door de Yntzelaan? Ja, die namen hier, hè; mijn hele familie woont hier in de buurt. De laan hiernaast noemen ze sinds mijn vader overleed de Yntzelaan, omdat mijn vader Yntze heet. We hebben kortgeleden een groot verdriet gehad, want mijn zus Janke uit Mildam is net begraven. Haar jongste kinderen komen hier nu veel over de vloer en de gezinnen van mijn broers Meeuwes en Uilke uit Mildam vangen deze kinderen ook op. Het zijn hier toch allemaal Hoekstra’s en we zorgen ook voor elkaar in slechte tijden.'
Aaltje: ' Martje, schep maar vier glaasjes met boerenjongens in!’. Aaltje gaat verder: ' Mijn man Jeip pakt van alles aan. Hij is nu arbeider aan de Weversbuurt, maar hij weet ook hoe hij moet slachten. Hij wordt als slager vaker gevraagd en komt daarom ook wel in de buurdorpen. Ik ben altijd blij als hij weer een paar stukken vlees mee kan nemen voor ons grote gezin.’
Martzen vraagt: ' Kan ik nu weer naar buiten, moeder? We doen een balspel met de andere kinderen van de laan.’ Aaltje zegt: ' Ja Martzen, haal alleen nog even water uit de regenwaterbak. Ik vertel de mensen eerst even hoe het hier zit, want ik heb ze een lange tijd niet gezien.’
Bommen Berend
In augustus 1673, het tweede rampjaar, stuurde de bisschop van Münster – Bommen Berend – een troepenmacht naar Zuidoost-Friesland om de Schans van Heerenveen te veroveren.
Bommen Berend
In augustus 1673, het tweede rampjaar, stuurde de bisschop van Münster – Bommen Berend – een troepenmacht naar Zuidoost-Friesland om de Schans van Heerenveen te veroveren.
Vanaf de Bekhofschans bij Oldeberkoop trokken ongeveer 170 ruiters, piekeniers, musketiers en cannonieers over de heide tussen Katlijk en Mildam, met Heerenveen als doel.
De Republiek zette daar Staatse troepen tegenover uit Friese en Hollandse regimenten. Zij trokken de heide op om het Münsterse detachement te onderscheppen voordat het Heerenveen kon bereiken. De confrontatie vond plaats op de open heide bij Katlijk.
De strijd was kort. De Staatse linie hield stand; 26 van de Münsterse aanvallers kwamen om, en de overige manschappen van Bommen Berend verloren de orde en vluchtten in de richting van de Tjonger. Daarmee werd de aanval op Heerenveen afgebroken.
De schermutseling op de Katlijker heide geldt als een lokale maar strategisch belangrijke overwinning voor de Republiek. De toegang tot Heerenveen bleef behouden en de Münsterse opmars liep hier vast.
De ban wordt opgeheven in 1413
Mijn naam is Onno. Ik was lange tijd kapelaan van de kleine kapel tussen de hoeven van Katlijk. Nog vóór zonsopgang ontmoette ik broeder Emmo bij het hek. Nog voor hij sprak, begreep ik waarvoor hij gekomen was. De ban van de Bisschop van Utrecht was opgeheven.
De ban wordt opgeheven in 1413
Mijn naam is Onno. Ik was lange tijd kapelaan van de kleine kapel tussen de hoeven van Katlijk. Nog vóór zonsopgang ontmoette ik broeder Emmo bij het hek. Nog voor hij sprak, begreep ik waarvoor hij gekomen was.
De ban van de Bisschop van Utrecht was opgeheven.
Jarenlang had ik in de kapel gebeden zonder de sacramenten openlijk te bedienen. Er waren geen missen, geen biecht en geen doop in het openbaar. Gebeden werden gefluisterd, psalmen gezongen in schuren. De bisschop had zijn ban uitgesproken, maar het leven ging hier intussen door.
Emmo was gezonden vanuit Nes bij Akkrum om het nieuws te brengen aan de dorpen van Schoterland. Hij vertelde dat hij eerder Oudeschoot en Brongergea had aangedaan.
Toen hij zei dat de sacramenten weer openlijk mochten worden bediend, zakte de spanning die zich in de jaren had opgebouwd. Die avond las ik na lange tijd de mis in de kapel, zoals dat hier altijd was gedaan.
Wytske Wisses en haar zoon
Het is het jaartal 1686. Wytske Wisses is van plan met haar zoon Douwe naar hun pachter te lopen aan de Lijckweg in Katlijk. Ze lopen via de Kerkelaan langs het nieuwe Godshuis. Vooral Douwe wil daar wat blijven staan, omdat hij last van zijn voeten heeft gekregen.
Wytske Wisses en haar zoon
Het is het jaartal 1686. Wytske Wisses is van plan met haar zoon Douwe naar hun pachter te lopen aan de Lijckweg in Katlijk. Ze lopen via de Kerkelaan langs het nieuwe Godshuis. Vooral Douwe wil daar wat blijven staan, omdat hij last van zijn voeten heeft gekregen.
Wytske vertelt: ‘Mijn naam is Wytske Wisses en jullie vinden mijn naam verbonden met mijn grondbezit in Katlijk samen met mijn zoon Douwe Piers. Ik ben hier niet geboren en ik woon hier ook niet. Ik neem jullie mee op mijn reis naar Katlijk met mijn zoon. Mijn zoon moet met mij onze kavels bekijken. Zijn vader zaliger was veenbaas en kocht de kavels voor hem, zodat hij van de pacht zou kunnen leven. Zijn stiefvader heeft het vaak over deze kavels, want die kunnen nog worden verveend, waardoor Douwe geld kan verdienen. Het is vrij moeilijk om in Katlijk te komen, omdat we met de praam via de vaart in De Knype en de Dorpsvaart naar Katlijk moeten varen. Het is daar namelijk nog een woestenij. Gelukkig hebben we een goede Katlijker boer die ons land bewerkt en ons pacht betaalt. Hij kan er vijf koeien en twee paarden op houden. Hij heeft net als ik stemrecht om de grietman van Schoterland en de dorpsrechter in Katlijk te kiezen. In Katlijk liggen de kavels van mijn zoon aan de oude Lijckweg. Mijn zoon is 16 jaar en zal nu moeten leren zich als een man te gedragen die zijn pachter te woord staat.’
Ondertussen lopen ze weer verder en kijken ze naar het kerkhof aan de andere kant van de heg. Wytske spoort haar zoon aan, terwijl ze vertelt: ‘Je vader ligt daar.’ Douwe vraagt dan: ‘Lijckweg, wat betekent die naam, mem; liggen daar lijken?’ Wytske: ‘Wel nee, die liggen daar niet.’ Douwe: ‘Maar waarom lopen we naar die Lijckweg? Ik hou niet van die naam, ik vind het een nare naam. Vader is immers ook dood.’ Wytske: ‘Nou ja.., je vader heeft hier niets mee te maken. Onze kavels liggen aan deze weg. Kom verman je zoon!’ Douwe: ‘Maar ik wil daar liever niet heen, kunnen we niet omlopen, mem?’ Wytske: ‘We gaan kijken bij onze kavels en jij gaat de pachter Ids Foppes vragen hoe het land en zijn familie ervoor staan. We willen het immers nog gaan vervenen en er veel turf van gaan verkopen.’
Ondertussen zijn ze aangekomen bij de tapperij op de hoek.
Douwe: ‘Kunnen we niet even bij de tapperij naar binnen, moeder; het is warm en ik heb dorst. Ik heb immers ook last van mijn voeten.’ Wytske: ‘We gaan absoluut niet naar binnen, daar schenken ze sterke drank. Ik heb genoeg gezien wat drank doet met de verveners in De Knype. Ze liggen soms meer dood dan levend naast de vaart. Jij gaat daar niet naar binnen. Wij zijn doopsgezinden en die gaan nooit een tapperij naar binnen.’ Douwe: ‘Maar moeder…’ Wytske: ‘Verman je zoon; je gaat je voorstellen aan Ids Foppes, want van hem ga je in de toekomst pacht krijgen. En ja, hij woont aan de Lijckweg.’ Douwe: ’Ik heb last van mijn tenen in die krappe schoenen, ik loop liever op mijn klompen. Kan ik niet op sokken verder, dan trek ik mijn schoenen straks wel weer aan.’ Wytske: ‘Ik waarschuw je zoon, je moet je nu gedragen als een volwassene, doorstappen en hou je schoenen aan.’
Ze zijn nu vlakbij het boerderijtje van de pachter en Douwe valt opgelucht in de berm van de Lijckweg. Hij trekt zijn schoenen en sokken uit en wrijft over zijn pijnlijke voeten. Deze houding bevalt Wytske allerminst, want zo gedraagt een eigenaar zich niet. De jongen zal nog veel moeten leren, verdorie. Hij moet nu eerst zijn schoenen weer aantrekken en zijn rug rechten.
De pachter komt al naar hen toe vanuit het land.
Hendrik Anskes en de musketten
Het was in het rampjaar 1672. In de frisse meimorgen had Hendrik Anskes, een jonge boer aan de westrand van Katlijk, besloten om de slootkanten van zijn zuidelijkste veld bij de Tjonger te maaien.
Hendrik Anskes en de musketten
Het was in het rampjaar 1672. In de frisse meimorgen had Hendrik Anskes, een jonge boer aan de westrand van Katlijk, besloten om de slootkanten van zijn zuidelijkste veld bij de Tjonger te maaien.
Gisteren had hij het ruige hooiland al gesleept met zijn paard. Vandaag wilde hij de kanten nog maaien. Terwijl hij in gedachten maaide, stootte hij op iets hards. De doffe dreun trilde door tot het houten handvat. Hendrik fronste, keek naar de grond en knielde neer. Hij veegde de aarde weg en staarde naar de glinstering van metaal—nieuw metaal, glanzend en koud. Zijn vingers gleden langs de lengte van een musketloop, onlangs begraven, het hout nog glad en ongeschonden door de tijd. Toen hij verder groef, vond hij meer—drie, vier musketten; hun ijzeren lopen in een rij onder de grond, samen met lange pieken die ernaast lagen.
Dit waren geen overblijfselen van oude oorlogen. Ze waren niet oud, hier nog niet lang geleden verstopt. Zijn hartslag versnelde. Waarom zou iemand nieuwe wapens begraven, zo dicht bij zijn boerderij? Voor wie waren ze bedoeld? Het Friese platteland had zijn deel aan onrust gekend, maar dit was anders. Een geheim.
Hendrik keek naar de Tjonger, waarvan het water traag richting de horizon stroomde. Hij was een boer, geen soldaat en had geen zin in dit soort mysteries. Hij dacht aan Jan, zijn oudere broer en dorpsrechter; de man die zou weten wat te doen. Net vandaag had zijn broer een afspraak met de grietman van Schoterland. De afgelopen weken had hij zich alleen kunnen concentreren op de dood van zijn vrouw en hij had weinig aandacht besteed aan de geruchten over een veldslag op de heide verderop. De ontdekking van de wapens voelde als een extra last in een tijd van verdriet. ‘Morgen’, zei hij tegen zichzelf. Morgen zou hij het melden. Voor nu moesten de wapens verborgen blijven.
Snel verzamelde hij de musketten en liep naar de oever van de rivier, waar de grond zachter en losser was. Knielend groef hij een ondiep gat in de bedding van de rivier. Terwijl hij werkte, droeg de wind fluisteringen van verre onrust, maar Hendrik hield zijn gedachten gefocust op de taak. De wapens werden opnieuw begraven, verborgen tussen de geknoopte rietstengels. Hij drukte de aarde aan, wetende dat ze daar zouden blijven totdat hij besloot het iemand te vertellen.
Het dorp Katlijk zou zich Hendrik Anskes niet herinneren, maar het waren oude wapens en wat paardenskeletten—lang geleden begraven in de losse grond bij de Tjonger—die de sleutel vormden tot een mysterie dat misschien nooit opgelost zou worden.
De herberg bij de kruising
De dorpsherberg in de middeleeuwen.
De herberg bij de kruising
De dorpsherberg in de middeleeuwen.
Op de hoek van de Klepelslag staat het mooie Witte huis. Oudere Katlijkers weten dat dit ooit een dorpscafé was, dichtbij de kruising van de Kerkelaan en de W.A. Nijenhuisweg. Vanaf de late middeleeuwen heeft hier een herberg gestaan. Zoals overal in Friesland was dit de herberg waar dorpszaken werden gedaan: contracten tekenen, overleggen over koop en verkoop van grond en percelen.
Deze herberg speelde tot diep in de 20ste eeuw een belangrijke sociale functie in het dorp.
De Raaptepper
Het standbeeld van de Raaptepper in Katlijk herinnert aan een belangrijk stuk dorpsgeschiedenis en het zware, ambachtelijke werk dat generaties boerenhanden heeft verricht.
Froukje en de vreemdeling bij de winkel
Het is 1822 in Katlijk bij de kruising.
In het dorp Katlijk aan de rand van de grote heidevelden, waar de horizon zich eindeloos leek uit te strekken, woonde Froukje Abeles Witsma alleen - met het uitzicht op de drie paden. Froukje was meestal te vinden aan de voorkant van haar huis. Op een late septembermiddag zat Froukje op het bankje haar handen rustend op haar schoot. Zij verwachtte vandaag geen klanten, vandaag zou er alleen stilte zijn.
Toen zag ze hem, een man die vanuit het oosten kwam. Ze keek naar hem met een lichte huivering van ongemak. Hij was geen man uit Katlijk, dat wist ze meteen. Toen hij het pad op liep, voelde ze aan dat deze man invloed had. Ze stond op van het bankje voor haar winkelhuis. ‘Goedemiddag,’ zei de man in het Fries. Froukje knikte, haar lippen in een beleefde, maar dunne glimlach. De man liet snel zijn ogen over haar en de open winkeldeur gaan. ‘Ik zoek iemand’, zei hij. ‘Zijn naam is Sible. Sible, de zoon van de molenaar.’
Sible Wytsma, haar neef. Natuurlijk kende zij hem. Er waren verhalen over Sible. Het dorp was vol stiltes en verhalen, maar die van Sible waren anders. Ze hield de blik van de man vast, haar gezicht bleef onverstoorbaar. Ze zei: ‘Er is niemand met die naam die ik ken.’ De man zei: ‘Ik heb een boodschap voor hem, het is belangrijk.’ Froukje haar gedachten waren al aan het werk. Zij kende Sibles familie. De Wytsma’s waren hier geworteld, net als de andere families. ‘Ik ken hem niet,’ zei ze, haar stem koel en afstandelijk. ‘Er is niemand in Katlijk met die naam.’
De man kwam een stap naar voren naar de vrouw. Froukje bleef staan waar ze stond. Ze had het idee dat hij probeerde in haar te kijken om te zien of ze loog. ‘Ik zou hem graag vandaag nog vinden,’ zei de man. ‘Ik heb een lange weg afgelegd.’ Froukje zei nogmaals: ‘Er is hier niemand met die naam.’ Eén moment lang bewoog geen van beiden. De man trok zich uiteindelijk terug. ‘Dan ga ik maar weer,’ zei hij. Froukje keek hem na.
De stilte keerde terug, maar was nu een andere stilte, zwaarder en vol vragen. Froukje bleef kijken en liep een paar stappen in de richting van de vreemdeling, maar keerde - met twijfel - terug. Froukje zou het voorval niet laten rusten en Sible de volgende keer, als ze hem zou zien, vertellen over de vreemdeling. Mensen in Katlijk stelden zulke vragen niet. Ze leefden met stilte, met de dingen die onuitgesproken bleven, omdat dat de enige manier was om in een plaats als deze te wonen.
De laatste schooldag van meester Willem
De laatste schooldag van meester Willem
De laatste schooldag van meester Willem
De laatste schooldag van meester Willem
Sint Thomaskerk en klokkenstoel Katlijk
De Thomaskerk van Katlijk dateert uit 1525, het is een opvallend kerkje omdat de toren ontbreekt. In plaats daarvan staat er een losstaande dubbele klokkenstoel. Het Sint-Thomasluiden vindt ieder jaar rond oud en nieuw plaats om boze geesten te verjagen.